woensdag 23 juli 2025

De droomwereld van Kadath - HP Lovecraft

‘De droomwereld van Kadath’

Nostalgische terugblik op een vergeten nachtmerrie

Er zijn van die werken die je als lezer niet zomaar uitkiest (ja, ik was op vakantie, ja ik had leesvoer nodig), maar die je overkomen. De droomwereld van Kadath, een lang droomverhaal van Howard Phillips Lovecraft, is zo’n werk. Het is geen roman, geen novelle, zelfs geen klassieke vertelling in de gebruikelijke zin. Het is een reis. Een afdaling. Een trance. En voor wie gevoelig is voor het klamme van de kosmos, een herinnering aan hoe verhalen ooit geschreven werden: barok, labyrintisch, meanderend als een nachtmerrie zonder begin of einde.

Wat opvalt is de onaangepaste, haast kinderlijk verwonderde verteltoon, waartegen de horror en ontzagwekkende grootheid van de droomkosmos des te grimmiger afsteken. Randolph Carter - Lovecrafts alter ego - dwaalt door werelden die evenzeer sprookjesachtig als existentiëel beangstigend zijn. De tekst is doordrenkt van nostalgie: naar de jeugd, naar verloren werelden, naar een logica die slechts in dromen geldt.

Maar laat ik eerlijk zijn: dit is geen toegankelijk boek. Wie Kadath binnentreedt, moet zich overgeven aan Lovecrafts archaïsche taal, zijn eindeloze opsommingen, zijn volstrekt ontbreken van plotspanning. Toch - of juist daarom - is het een sleuteltekst voor wie de literaire mythos van Lovecraft wil begrijpen. En een wonderlijke herinnering aan hoe ver de verbeelding reiken kan, als je haar niet temt, maar haar vrij laat razen.

Wat ik ervan vond:

Lovecrafts De droomwereld van Kadath is geen verhaal in de traditionele zin van het woord. Het is een taaie, stugge kristallisatie van een droom, geschreven door een man die zijn angsten, verlangens en filosofieën in een nachtmerrieachtige wereld goot, waar logica buigt voor het onderbewuste. In dit prozagedicht van kosmische proporties volgen we Randolph Carter, het vertrouwde alter ego van Lovecraft, op een queeste naar de mythische stad Kadath, waar hij hoopt het raadsel van zijn droomgeluk te ontsluieren. Maar Kadath blijft ongrijpbaar, net als het geluk zelf, en dat is geen toeval.

Dit werk is een hoogmis van de droomliteratuur, maar ook een oefening in literaire endurance. Lovecraft schuwt elk houvast dat de moderne lezer zou kunnen verwachten: er is nauwelijks dialoog, geen ontwikkeling in karakter of moraal, en de enige ‘actie’ is een eindeloze reeks ontmoetingen met bizarre volkeren, antieke godheden en onnavolgbare landschappen. Alles is vaag, alles is weids, alles is vreemd en juist daar, in dat absolute afstand nemen van de realiteit, schuilt de duistere kracht van deze tekst.

Wat Lovecraft hier doet, is de droom als vorm serieus nemen. Hij maakt geen gebruik van de droom als excuus voor onlogische gebeurtenissen, maar zet de droomstructuur centraal: een continu verschuivend landschap, waarin plaats, tijd en identiteit geen vaste waarden meer zijn. Zo lezen we over de maanbeesten, de nachtelijke katheden van Ulthar, de ondergrondse stad van de ghûls, en Nyarlathotep in de gedaante van een farao, fragmenten die aanvoelen als visioenen eerder dan als onderdelen van een coherent narratief. En toch is er een onderliggende lijn: de onbereikbaarheid van wat verlangd wordt. De zoektocht naar Kadath wordt de zoektocht naar iets dat niet gevonden mág worden, op straffe van zelfverlies.

Petra’s kritische noot? De tekst is log, herhalend en lijdt aan overmatige adjectivitis. Zinnen kronkelen als archaïsche klimop over halfvergane zinnen, het ritme sleept zich voort als een nachtmerrie die je niet kunt verlaten. Maar dat ís precies wat Lovecraft hier beoogt. Hij laat je verdwalen. Hij biedt geen catharsis. Zelfs Carters terugkeer naar het wakkere leven voelt niet als een bevrijding, maar als een terugval in het banale, het vergetene. En dat maakt deze droomwereld zo huiveringwekkend krachtig.

De droomwereld van Kadath is geen boek dat je leest voor het plot, de actie of het personage. Het is een boek dat je ondergaat, als een ritueel, een gevaarlijk ritueel. Want wie te lang in deze wereld blijft, loopt het risico zijn eigen Kadath te gaan zoeken. En daar zijn mensen aan verloren gegaan.

Petra’s advies: lees dit boek niet als ontspanning, maar als confrontatie. Met Lovecraft. En met jezelf.

---

Na het herlezen van De droomwereld van Kadath voel ik mij vreemd ontheemd, alsof ik een landschap heb doorkruist dat tegelijk droom en herinnering is. Lovecraft laat geen veilige grond onder de voeten. Zijn mythos is geen decor, maar een wereldbeeld: koud, onverschillig, ondoorgrondelijk. En hoe archaïsch zijn stijl ook moge zijn, de essentie van wat hij blootlegt, de onmacht van de mens tegenover een oneindig en onverschillig universum, is tijdloos.

Deze terugblik heeft me aan het denken gezet. Niet alleen over Lovecraft, maar over zijn nazindering. Hoeveel hedendaagse schrijvers, ook in ons taalgebied, hebben zich laten meevoeren door de fluisteringen van de Mythos? Wie durfde het aan om de kleur uit de ruimte, het onnoembare, het onuitspreekbare, in het Nederlands te gieten?

Ik overweeg, met enige huiver en veel nieuwsgierigheid, dieper te duiken. Niet alleen in Lovecrafts werk, waarvan ik The Shadow Out of Time, The Whisperer in Darkness en The Case of Charles Dexter Ward opnieuw op mijn nachtkastje leg, maar ook in de Nederlandstalige echo’s van zijn kosmische terreur. Bestaan er bij ons verhalen waarin de Mythos niet enkel wordt nagebootst, maar ook doorontwikkeld, gehervormd, of heimelijk verheerlijkt?

De komende maanden zal ik zoeken, lezen, schiften. Niet uit nostalgie alleen, maar omdat ik geloof dat de Mythos, wanneer hij met literaire ernst wordt benaderd, ook in het Nederlands bestaansrecht heeft. En misschien… misschien kruipt het onzegbare dan ook in onze eigen taal, op onze eigen pagina’s, en huist het straks onder onze bedden.

Wie weet.

Wie durft.

Petra Swaelmans,
Horror recensente, Mythos afficionado, Wednesday-lookalike


zondag 20 juli 2025

GRIM heeft een nieuwe recensent

Het begon met een berichtje van Gerrit Grimbergen. Of ik misschien zin had om verhalen te recenseren voor het nieuwe blad GRIM. Of beter gezegd: of ik mijn tanden er eens goed in wilde zetten. Natuurlijk wilde ik dat. GRIM ademt alles waar mijn hart sneller van gaat kloppen: duistere verbeelding, compromisloze horror, rauwe randjes en literair gif.

De afspraak was eenvoudig: eerlijk, scherp, en liefst zonder blad voor de mond. Precies zoals ik het graag doe. Sindsdien mag ik me met plezier de vaste recensent noemen van dit duistere prachtproject. En ik geniet van elke bloederige bladzijde.

Zie ook: grimhorror.com


vrijdag 18 juli 2025

Wie is er bang voor spoken?

Wie is er bang?

Bang voor spoken? is een rijkgevulde anthologie die meer is dan een verzameling griezelverhalen: het is een spookhuis op papier, opgebouwd uit kamers vol fluisteringen, herinneringen en nachtschimmen. Uitgegeven door het eigenzinnige Poespa en samengesteld door Finn Audenaert, zelf vertegenwoordigd met meerdere bijdragen, biedt dit boek een caleidoscopische blik op het spookverhaal in zijn vele gedaantes: melancholisch, grotesk, poëtisch, bijtend ironisch of hartverscheurend stil.

bang voor spoken

Met bijdragen van een bont gezelschap auteurs, waaronder oude rotten als Guido Eekhaut, genre-experimentatoren zoals Jaap Boekestein, Tais Teng en Frank Roger, en literaire stemmen als Laura Scheepers, Mike Jansen en Karel Smolders, is de bundel een staalkaart van de Nederlandstalige horrorfictie anno nu. De opgenomen haiku’s vormen verrassende intermezzo’s tussen langer werk, als snerpende flitsen uit het onderbewuste.

Thematisch verkent Bang voor spoken? niet alleen het bovennatuurlijke, maar ook de onderliggende angsten: verlies, wroeging, de last van herinnering, en de vraag wat ons blijft achtervolgen, zelfs als we de dood achter ons laten. Wie de bundel opent, betreedt een spiegelpaleis waar het griezelen niet alleen uit de duisternis komt, maar ook uit wat zich roert in het eigen verleden.

Hieronder mijn gedachten over de verhalen en gedichten (en essays!) in deze bundel:

Bruno Lowagie – Spookdiagram
Een intrigerende verkenning van abstracte angst, grafisch vertaald naar het metafysische. Er zit logica in de waanzin, maar de dreiging blijft eerder intellectueel dan isceraal. Degelijk, met gemiste groeipotentie.

Karel Smolders – Het huis dat zielen las
Een gelaagde, gotische parel die traag en meedogenloos je onderbewustzijn binnendringt. Smolders bouwt zijn huis als een geheugenpaleis vol echo’s en schuld. Geen schrikeffecten, maar diepe existentiële huiver. De horror zit in wat je allang vergeten dacht.

Finn Audenaert – Haiku ‘Spook van zeven uur’
Een vlijmscherpe miniatuur die de banaliteit van angst in de moderne tijd raakt. Ironisch en actueel, met een smaak van media en melancholie. Een geraffineerde verstoring van je journaalritueel.

Tais Teng – De vuurjapon
Een fabuleuze vertelling met lavastromen aan verbeelding. Hier danst de horror in zijden lagen en mythologische echo’s. De taal schittert, de beelden branden zich vast. Een sprookje met tanden en een plot dat zijn betovering doordrukt tot in de vlammen.

F.P.G. Camerman – Wolkenzoon
Een dromerig verhaal dat eerder mijmert dan martelt. Het poëtische wolkendek ontnam me het zicht op échte dreiging. Mooie beelden, maar geen spook om voor te vluchten.

Bruno Lowagie – De interventie
Een zorgvuldig geconstrueerde ethische parabel met een bovennatuurlijk randje. Het blijft eerder een morele gedachte-experiment dan een rillend relaas. Netjes, maar laat de horrorliefhebber met lege handen.

Martine Pauwels – De urn
Een fijngevoelige evocatie van rouw en herinnering, elegant verweven met het ongrijpbare. De sfeer is broos, maar het spook beneemt je de adem op onverwachte momenten. Een fragiele, maar effectieve bezwering van verlies.

Ruben De Baerdemaeker – Haiku ‘Als de avond valt’
Deze haiku vangt perfect de neerdalende kilte van de avond. Een melancholische flits, spookachtig als een ademwolk op glas. Klein, maar met lange nasleep.

Finn Audenaert – Spookloos
Een aardige draai aan afwezigheid als thema. Het idee is slim, de uitwerking luchtig. Toch mist het verhaal gewicht om echt in je onderbuik te blijven nadreunen.

Guido Eekhaut – Over de rivier
Eekhaut levert een sfeervolle en mystiek geladen tocht over innerlijke wateren. De symboliek is rijk en de sfeer broeierig als mist boven grafstenen. Een verhaal dat zich als vanzelf spiegelt aan Conrad en mythes van overgang.

Laura Scheepers – De nevelheks
Een sprookjesachtige, licht surreële vertelling die meer aanzetten tot sfeer dan echte spanning biedt. Intrigerend, maar het spook blijft op afstand, alsof het zelf niet weet of het erbij wil horen.

Charles van Wettum – Huize Vhoo Khoezz
Een verhaal met theatrale trekken en een knipoog naar Lovecraftiaanse absurditeit. Decoratief en bij vlagen amusant, maar het geheel dreigt te bezwijken onder eigen exuberantie. Bizarre charme, maar zonder angel.

Frank Roger – Veel liefs van de buren
Onheil in de onderbuik van de suburbia, netjes opgebouwd en met een ondertoon van maatschappelijke paranoia. De afwikkeling is iets te braaf, maar het ongemak blijft lang in de muren hangen.

Jaap Boekestein – De laatste dans in Théâtre d’Obscure
Een gothic met flair en macabere charme, een choreografie van schaduw en decadentie. Boekestein weet precies waar de sfeer borrelt zonder over te koken. Het decor is een personage op zich: versleten fluweel, fluisterende coulissen.

Bruno Lowagie – Seance
Bekwaam geconstrueerd, met een klassieke spanningsboog en duidelijke personages. Het medium is sterker dan de boodschap, en het slot tammer dan gehoopt. Een spookverhaal zoals je het verwacht, maar zonder littekens.

Ruben De Baerdemaeker – Haiku ‘Dieren van de nacht’
Suggestief en sfeervol, maar het hapt niet. Het nachtelijke gedierte blijft meer achtergrond dan kern. Poëtisch, zeker, maar met weinig nagalm.

Eveline van Dienst – Sp(r)ookjes
Een speels spel met taal en conventies. Knap gevonden, maar het effect blijft cerebraal. Een sprookjesachtig geraamte zonder veel vlees, wel met vernuft gevouwen.

Finn Audenaert – Feel bad
Rauw en maatschappijkritisch met horror als bijsmaak in plaats van hoofdingrediënt. De toon is scherp, de karakters doordrenkt van verlies. Wat mist is de klap in de spiegel; nu blijft het bij een duistere reflectie.

Liesbeth Jochemsen – De hond in de pot
Een kort verhaal met een lang nasmeulend gevoel van verlies en absurdisme. Bijzonder subtiel in de tragiek. Geen bloederige horror, maar eerder een beklemmend besef dat sommige spoken niet sterven, maar stilletjes mee-eten.

Luc Vos – Niet voor mij
Een rake miniatuur over wanhoop, zelfbehoud en wat het betekent als je zelfs van de dood niet meer kunt winnen. Niet verrassend, maar eerlijk en zonder poespas. De echo blijft even hangen.

Bruno Lowagie – Kattenkwaad
Een klassiek jeugdhorrorverhaal met een duistere twist. Herkenbaar en vlot geschreven, maar mist net die ene onverwachte krab van onder de bank. Meer een kattenstreek dan een klauwslag.

Finn Audenaert – Haiku ‘Ook bang voor sporen’
De spanning ligt onder het oppervlak en echoot lichtjes na. Fijn detail in de thematiek, maar niet bijtend genoeg om lang te blijven hangen. Functioneel, niet memorabel.

Tim Therry – Opa Keelschors
Een groteske poppenkast waarin nostalgie verkruimelt tot knarsende tanden. De toon is vilein, de vertelstem eigenzinnig. Het verhaal slingert heerlijk tussen absurditeit en tragiek. Een dode opa zoals alleen nachtmerries ze opvoeren.

Sabina Nina Stepanovic / Rose N Storm – De legende van Zmeu
Een fragment dat lonkt naar een groter, dieper universum. Fraaie setting en sterke sfeeropbouw, maar als losstaand verhaal mist het net voldoende afgerondheid. Potentieel voelbaar, maar hier nog in nevelen.

Luc Geeraert – Hart en ziel
Zacht melancholisch en mooi in balans. Geen spektakel, maar een pleidooi voor het ontastbare. Een verhaal dat zich niet opdringt, maar kalm onder je huid wandelt. Knap door eenvoud en stil verdriet.

Laura Scheepers – Wraak
Duistere catharsis met vlaagjes folklore en innerlijke verscheurdheid. De emotionele inzet is voelbaar, maar de afwikkeling had baat gehad bij meer weerhaakjes. Niettemin een verdienstelijke zielenafrekening.

Ruben De Baerdemaeker – Haiku ‘Maanlicht zilvergrijs’
Kalm, gestileerd en helder van toon. Als een lichte trilling op het oppervlak van een meer. De schoonheid zit in de beheersing, al blijft de schaduw eerder poëtisch dan beangstigend.

Mike Jansen – De poppenspeler van Durestad
Een gotisch drama vol naald en draad. De sfeer is verfijnd macaber, de thematiek klassiek. Denk The Sandman ontmoet Pinocchio, maar met meer bloed en schuld. Vakkundig geweven horror die netjes onder je huid kruipt.

Marceline de Waard – Het spook met de rode haren
Een liefkozend griezelverhaal met een nostalgisch hart. Teder verteld, maar de horror blijft vriendelijk glimlachen in plaats van bijten. Meer een herfstwandeling door herinnering dan een afdaling in duisternis.

Finn Audenaert – De strijd beslecht
Snedig, zelfverzekerd en geladen met maatschappelijke kritiek. Een krachtig miniatuur dat niet bang is om zijn tanden te tonen. De titel bedriegt: dit verhaal blijft nagalmen als een conflict dat nooit helemaal sluit.

Johan Klein Haneveld – Het Tasmaanse spook
Een intelligent geconstrueerde parabel met een sciencefictionrandje. Ecologische ondertoon en speculatieve horror gaan hier hand in hand. Geen horror met bloed, maar met impliciete dreiging en moreel gewicht. Intrigerend, al had het einde net wat meer verzet mogen bieden.

Bruno Lowagie – De ballade van Sarah Winchester
Een mooie poging om mythe, biografie en reflectie te mengen, maar het blijft hangen in expositie. De echo’s zijn historisch, niet existentieel. Een balzaal vol spoken, maar je voelt hun adem niet op je nek.

Frank Beckers – Haiku ‘Leve de winter!’
Koud, scherp en met lichte ironie. De sfeer is raak, maar mist de verstilling of gruwel die beklijft. Eerder een kwinkslag dan een spookbeeld.

Hervé Suys – De beschermeling
Een klassiek opgebouwd verhaal met knappe spanningsboog, maar de punch mist venijn. Het voelt degelijk, maar voorspelbaar. Spanning zonder splinters. Netjes en onderhoudend, zonder spooklittekens.

Katrien Ricart – Koud marmer
Een kort verhaal als een standbeeld: hard, stil, en doordrenkt van eenzaamheid. De toon is raak, de sfeer zorgvuldig opgebouwd. Geen verrassingen, maar wel een schrijnend portret van verlies en versteende liefde.

Karel Smolders – Ghost with the wind
Een vlotte mix van woordspel en nostalgie. Net wat te veel stijl en te weinig bijt. Amusant, zeker, maar de wind draagt meer grap dan griezel.

Ruben De Baerdemaeker – Haiku ‘Een spook riep eens boe’
Licht, luchtig en spottend. Geen horror, wel een speelse afrekening met het genre. Als spoken lachen konden, zou dit hun mopje zijn.

Frank Beckers – Waarom grote mensen geen spoken zien
Een fijnzinnig essayistisch verhaal, badend in melancholie. De kinderlijke blik als sleutel tot het bovennatuurlijke werkt, maar de boodschap is net iets te zacht om echt te blijven schrijnen. Mooie gedachte, braaf uitgevoerd.

Finn Audenaert – Poetsman
Een prachtig duister sprookje over verantwoordelijkheid, kinderlijke logica en het gevaar van wegkijken. De horror is gelaagd, psychologisch en taalkundig messcherp. Achter het ogenschijnlijke absurdisme schuilt iets onvergeeflijks. Een beklijvende fabel vol stof en schuldbesef.

Bruno Lowagie – Dode mensen
Filosofisch van toon, maar mist de rafelrandjes om zijn centrale thema echt voelbaar te maken. Je voelt de ambitie, maar de stilering houdt het afstandelijk. Een nadenkertje dat net iets te zedig blijft voor de griezelrand.

Isabelle Plomteux – Amenophis Steketee
Een verhaal dat op het randje balanceert tussen camp en kosmische waanzin. De toon is lekker brutaal, het decor bijzonder origineel, maar inhoudelijk zakt het wat door het interdimensionale tapijt. Een fijn tussendoortje, geen onvergetelijke vloek.

Ruben De Baerdemaeker – De waarzegster
Een sterke opbouw met klassieke spookverhaal-elementen en een onverwacht psychologisch eindbeeld. De tekst kabbelt iets te lang, maar de schaduw komt uiteindelijk toch waar je ‘m niet wil. Net echt. En dat bedoel ik in beide betekenissen.

Peter De Backer – Twee spoken
Een kort, speels verhaal met een bijna theatraal karakter. Het heeft de structuur van een mop, maar bevat een melancholische onderstroom die het net redt van de vergetelheid. Geen spookachtig meesterwerk, maar wel charmant vermaak voor tussen de koffielepel en de duisternis.

Luc Vos – Verandering
Een karaktergedreven brokje weemoed, mooi gevat in sobere taal. Het bovennatuurlijke is meer spiegel dan schrik, en dat werkt. Geen kloppende muren, wel kloppend hart. Een klein verhaal met een groot zuchtje.

Bruno Lowagie – Schrijnwerk
Een idee dat kraakt van ambitie, maar het schrijn blijft leeg. Er wordt subtiel geklopt, maar het verhaal gaat nooit echt open. Decoratief en degelijk, maar de horror laat zich niet voelen in de vezels.

Finn Audenaert – De melomaan en de vloek
Een fraai uitgevoerde muzikale allegorie, met duistere thematiek en een originele klankkleur. De tekst walsen en dissonanten langs de afgrond van obsessie. Wat licht in toon, maar het einde raakt. Dit concert blijft na-galmen.

Eddy C. Bertin & Brenda Bertin – Geestesverschijning
Bertin senior en junior brengen een spookverhaal zoals het hoort: atmosferisch, dreigend en met echo’s van Europese melancholie. Geen spektakel, maar een onderkoelde tocht door trauma en herinnering. Tijdloos in opbouw, hedendaags in thematiek. Fraaie toevoeging aan het genre.

Frank Beckers – Haiku ‘Niemand schrikt van mij’
Klein, aandoenlijk en lichtjes tragikomisch. Een haiku met een spook dat meer zelfinzicht dan dreiging bezit. Precies genoeg om glimlachend naar het duister te kijken.

Patrick Van de Wiele – Essay ‘Spooky songs’
Een lichtvoetige wandeling door griezelmuziek, leuk voor de liefhebber, maar voor de literair ingestelde lezer weinig vlees. Informatief, charmant, maar geen kippenvel. Meer linear notes dan necrologische aria.

Finn Audenaert – Essay ‘Het gouden tijdperk van het spookverhaal in de Angelsaksische landen’
Erudiet, meeslepend en boeiend opgebouwd. Een betoog vol passie voor het genre, met duidelijke kennis van zaken. Geen droge opsomming, maar een levendig eerbetoon aan schaduwrijke grootheden.
Voor horrorliefhebbers verplichte kost. Had een separaat boek verdiend.

 

Bang voor spoken? is geen bundel die je met een gerust hart op je nachtkastje legt. Niet omdat het je uit je slaap houdt (al doen sommige verhalen dat met gemak), maar omdat het boek je blijft achtervolgen met vragen die verder reiken dan het genre. Wat is een spook? Een entiteit, een herinnering, een schuld, een spiegel? In deze verzameling schuilt het antwoord telkens ergens anders, onder een bed, in een urn, op een vergeten zoldertrap.

De kwaliteit varieert, zoals bij elke bloemlezing, maar de topverhalen tonen een volwassenheid die het spookverhaal eindelijk losmaakt van kinderslaapkamers en Halloween-maskers. Hier geen bordkartonnen monsters, maar schimmen die voortkomen uit trauma, liefde, verlies en ontkenning. Sommige auteurs kiezen voor gotiek, anderen voor maatschappelijk engagement of stille horror. En net daarin ligt de kracht: deze bundel is niet alleen een eerbetoon aan het genre, maar ook een bewijs dat Nederlandstalige griezelverhalen kunnen evolueren zonder hun wortels te verliezen.

Voor wie houdt van literaire horror met rafelranden, zwarte humor, subtiele dreiging en een vleugje waanzin: Bang voor spoken? is een spookhuis dat zijn bezoekers niet vergeet.

Petra Swaelmans
Horrorrecensente en Wednesday-lookalike

 


 



Ganymedes 1 - een terugblik

De Ganymedes-reeks ontstond in 1976, in een tijd waarin Nederlandstalige sciencefiction nog geen vanzelfsprekend podium had. Het eerste deel...

Meest bezoch